dinsdag 7 maart 2017

Gastenboeken van kasteel Keppel

Voor de provincie Gelderland is toerisme een fenomeen dat diepere wortels in het verleden heeft dan menigeen denkt. Rond 1900 verrezen weliswaar tal van logeeradressen of pensions op de grens van de Veluwezoom voor lieden die zich in hun vrije tijd wilden laven aan het nabije ongerepte en glooiende landschap, en die zelfs ‘s winters de sensatie wilden voelen van het ‘Zwitserland van het Noorden’. Echter bestaan nog meer en oudere tekenen van toeristisch vertier in de Gelderse regio. Een daarvan vormt het kastelenbezoek. In de negentiende eeuw waren bewoonbare kastelen vaak nog in handen van residerende eigenaren of huurders, en was de kwaliteit van deze panden zeer wisselend, net als de staat van de omringende parken en tuinen. Daar waar de belangstelling voor een kasteel en het bijbehorende landgoed tot een zekere populariteit steeg begon de eigenaar een registratie aan te leggen van de ‘belangstellenden’. Kasteel Rosendael, met zijn ‘bedriegertjes’, startte in 1801 met de aanleg van een gastenboek, dat (met een hiaat tussen 1832-1901) werd bijgehouden tot 1903. Van huis Verwolde is een gastenboek uit de periode 1905-1924 bekend, en van huis Ruurlo is een gastenboek van de oranjerie uit de periode 1890-1899 bekend.
Van het kasteel Keppel zijn gastenboeken bewaard uit een aaneensluitende periode van 1850-1908. Wat de toeristische gasten in die periode te zien kregen is niet duidelijk. Het register lag in elk geval in de ridderzaal van het kasteel, zodat mag worden aangenomen dat de bezoekers in elk geval naast de tuinen en een deel van het huis tot aan de ridderzaal te zien kregen. De vraag rijst wie nu tot welke sociaal-maatschappelijke groepen de toeristen uit de tweede helft van de negentiende eeuw behoorden. De gastenboeken van Keppel reppen daar uiteraard niet van. Je moet deze dan ook lezen in de gedachte dat het overgrote deel van de Nederlandse bevolking in die tijd nog niet in de gelegenheid was om culturele uitstapjes te maken. En dat blijkt ook uit de ingeschreven namen. Naast verdere verwanten van de kasteeleigenaren, toen nog Van Pallandt, werden de gastenboeken gevuld met namen van andere nieuwsgierige adel en leden van patricische families. Gezinnen, aangeduid ‘met gezelschap’, gehuwde dames alleen, dames met vriendin, en dan vaak voorzien van een dubbele familienaam. Soms wordt duidelijk wat voor positie de bezoekers bekleedden: notarissen, advocaten, hoge bestuursambtenaren en militairen, een stadsapotheker. Verenigingen, zoals de Sociëteit De Overeenstemming, de zangschool van Rozendaal (met meisjes), het muziekgezelschap Fabricando Fabio Fimus uit dezelfde plaats en het gereformeerd armbestuur van Deventer, zorgden voor een sociale ontmoeting in neerwaartse richting.
Uiteraard concentreerde de geografische herkomst van de bezoekers zich op de directe omgeving (Doesburg, Zutphen, Doetinchem), maar vaak werden ook de rijke westerse steden (Amsterdam, Den Haag, Dordrecht, Leiden, Delft, Rotterdam) genoemd, evenals plaatsen in Overijssel, Utrecht en Friesland, en in Duitsland (Bocholt, Anholt, Moers en Tecklenburg). De seizoenen van het kasteelbezoek waren vooral gelegen tussen de maanden juni en september, en daarin kon de eigenaar in totaal gemiddeld zo’n 100 tot 250 gasten verwelkomen.

Geen opmerkingen: