vrijdag 14 december 2012
Wachten op openbaarheid
Ongeveer alles wat naar een archiefdienst wordt overgebracht dient ooit openbaar gemaakt te worden. Dat wil zeggen: ieder nieuwsgierig mens dient de kans te krijgen om kennis te nemen van informatie die in een openbare archiefinstelling wordt opgeslagen. De moderne onderzoeker is ongeduldig en veeleisend en heeft de gewenste informatie liever gisteren dan morgen op zijn tafel. Enkele wetten zitten deze consument echter dwars. De schenker of inbewaringgever van archieven of collecties kan bij de overdracht van materiaal naar een archiefdienst beperkende openbaarheidsbepalingen laten vastleggen die de driften van geïnteresseerden parten kunnen spelen. En wetten als de Archiefwet en de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) tomen de mogelijkheid in om al te snel allerlei persoonlijke informatie van (meestal) nog levende personen boven water te krijgen. En zelfs na het overlijden van betrokkenen kan aan de hand van wettelijke bepalingen de dodenrust nog enige tijd gehandhaafd blijven.
Op bijgaande foto’s uit 1999, met dr. Pieter van Wissing, prof. dr. Frank Keverling Buisman en schrijver dezes is het plechtige moment te zien waarop van een archiefstuk van een medewerker van de provincie Gelderland na een verplicht gesloten periode van 10 jaar de zegels van het pakpapier worden verbroken, opdat eerst dan kennis kan worden genomen van de geheime feiten, inzichten en roddels van de schenker.
maandag 3 december 2012
Marianne van Oranje-Nassau in het Gelders Archief
In het archief van de familie Schimmelpenninck van der Oye op het Gelders Archief bevinden zich enkele brieven van een van de meest aansprekende telgen uit het geslacht Van Oranje-Nassau in de negentiende eeuw. We hebben het dan niet over één van de drie opeenvolgende koningen Willem, maar over de jongste dochter van koning Willem I en Wilhelmina van Pruisen die in 1810 in het stadspaleis van de familie in Berlijn werd geboren en met de namen Wilhelmina Frederica Louisa Charlotta werd gedoopt. Zij was echter beter bekend als prinses Marianne. Een naam die wel paste bij het dromerig portret dat van haar als jonge vrouw werd geschilderd. Haar geschiedenis hoeft op deze plaats niet voor de zoveelste keer te worden beschreven. Zij was immers ook in haar eigen tijd bekend als de minnares van Johannes van Rossum (1809-1873). Deze Hagenaar die haar op haar vele reizen trouw diende als koetsier, stalmeester en andere functies werd haar minnaar nadat een feitelijk huwelijk van 15 jaar van haar met haar neef Albert van Pruisen in 1845 was stuk gelopen op een aantal simpel te voorspellen onhebbelijkheden van de kant van de man. Na het moment van verlating zou het nog vier jaar duren eer de scheiding ook formeel door de beide hoven werd bekrachtigd. In die tussentijd was namelijk het een en ander gebeurd. Marianne verbleef na haar vertrek uit Berlijn afwisselend op de buitenplaats Rusthof te Voorburg, kasteel Reinhartshausen te Erbach en op slot Kamenz in Silezië, samen met haar getrouwde Johannes van Rossum. Op het bijgaande portret is de man te zien, nonchalant met een wijze blik leunend op een muurtje, met een tuinvaas en slot als decor. Hierin herkent niemand meer een koetsier.
In 1849 leidde deze relatie tot de geboorte van een zoon: Johannes Willem van Reinhartshausen (1849-1861). Inderdaad, vernoemd naar een van haar kastelen. Diens geboorte legde intussen wel een bom onder de al jaren bestaande status quo wat betreft haar huwelijk met Albert van Pruisen. Afgezien van het feit dat de man intussen ook iemand anders als serieuze huwelijkskandidate had gevonden. Het Oranjehuis verbrak na de geboorte van haar zoon alle contacten met Marianne, en Pruisen verbood haar de toegang tot dat land, en daarmee de toegang tot haar kinderen die zij samen met Albert had gekregen. In de praktijk viel het wel mee. De achtergebleven kinderen bleef zij met enige regelmaat op neutraal terrein zien, en de familieban zal haar weinig zeer hebben gedaan. Van haar vader Willem I is bekend dat hij zeker twee bastaardkinderen had. Haar broer Willem II telde er al acht, en van diens zoon Willem III bleef de teller op liefst tien bastaarden staan. Zij zal wat dat betreft liefde en lust goed van elkaar hebben kunnen onderscheiden.
De bleue jonge vrouw van het portret bleek bovendien ook andere kwaliteiten te bezitten. Als componiste maakte zij in 1836 een parademars, en in haar Pruisische periode investeerde zij in de aanleg van wegen en de (glas)industrie in de regio Breslau.
De beide brieven die zich hier in het Gelders Archief bevinden zijn van juni 1847, en geschreven op het slot Kamenz. Alhoewel allang van haar man gesepareerd noemt zij zich nog steeds ‘prinses Albrecht van Pruissen’. Terwijl ze hoopt dat haar koffers niet ‘gevisiteerd’ zullen worden en dat de heer Van Rossum met vrouw en kind een paspoort kunnen krijgen. Tragiek lag in het verschiet. Tien jaar na de dood van haar minnaar overleed zij zelf. Op de grafplaats van beiden te Erbach staat echter alleen haar naam vermeld.
dinsdag 30 oktober 2012
Foto´s uit Belgische vluchtelingenkampen in Gelderland en elders in Nederland, 1914-1918
Tussen nu en eind 2015 loopt binnen het Gelders Archief een inventarisatieproject genaamd ‘archieven tot 1,5 meter’. Achter deze aanduiding gaan meer dan 350 archieven schuil die in omvang niet groter zijn dan 1,5 meter en die tot op de dag van vandaag nog niet toegankelijk zijn gemaakt. Een van de eerste klussen die de archivaris Corine Boonstra van dit project onder handen kreeg was het archiefje van de regeringscommissaris Mr. J.L. Simon, die was belast met het toezicht op het kamp Nunspeet. Deze ambtenaar hield zich in de jaren 1914-1918 sowieso uitvoerig bezig met het vluchtelingenprobleem van de Belgen die als gevolg van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vanaf de late zomer van 1914 zich - ondanks hun neutraliteit - toch onder de voet gelopen zagen door het buurland Duitsland. Vele tienduizenden Belgen, burgers en soldaten trokken veelal samen met hun hele gezin de grens met Nederland over, dat zich in deze oorlog weliswaar ook neutraal had verklaard maar in tegenstelling tot de zuiderburen zelf wel aan een Duitse invasie leek te ontkomen. Vele minder bedeelde, behoeftige, ongewenste of zelfs gevaarlijke vluchtelingen kwamen zo in Nederlandse kampen terecht. Kampen die men liever vluchtoorden noemden. De faciliteiten in die vaak snel geïmproviseerde onderkomens varieerden van redelijk tot beroerd.
Het aardige van het archief van commissaris Simon is, dat hij een fotoalbum heeft nagelaten met een schat aan beelden uit Belgische vluchtelingenkampen in o.a. Bergen op Zoom, Veenhuizen, Nunspeet en Ede. Hiervan willen we een voorproefje laten zien: op de eerste foto (uit 1914) zien we een slecht gedraineerd terrein met daarop een groot aantal vluchtelingen op een van de twee tentenkampen die te Bergen op Zoom voor hen waren ingericht.
Op de tweede foto zien we een vlijtig gezin bij een barak te Veenhuizen. Dit kamp met ca. 1500 bewoners werd in juni 1915 opgeheven, waarna de vluchtelingen werden overplaatst naar kamp Nunspeet. Daarnaast woonden hier tot 1915 ook 340 mannen uit Belgische gevangenissen die na een Duits bombardement op Antwerpen in 1914 naar Nederland waren verplaatst. Ondanks de ontheemding en vervreemding onder beperkte omstandigheden maakten de vluchtelingen het er in de periode 1914-1918 het beste van. De Nederlandse bevolking sloot hen niet bepaald aan de borst, en binnen Gelderland waren het met name de ‘onafzienlijke heidevlakten’ bij Nunspeet en de Ginkelse heide bij Ede, waar de Belgen hun bestaan een zinvolle invulling trachten te geven. Vandaar ook de drang naar vermaak, zoals hier op de foto, met een stel jonge meisjes van het spontaan in het leven geroepen gezelschap met de naam Het Vlaamsch Tooneel dat in juni 1916 te Nunspeet de ‘Belgische Revue’ speelde.
In Nunspeet huisden 13.000 vluchtelingen onder tamelijk primitieve omstandigheden. Zij werden door de centrale commissie van vluchtelingzaken veelal aangeduid als minder- en ongewenste elementen. Ter plaatse was ook een barak met de veelzeggende naam ‘Jan Steen’, waarin een bordeel gevestigd was. En er was een barak met de naam ‘Congo’, waarin de zogenaamde gestraften verbleven. Op de bijgaande foto zijn een aantal van die gestraften geposteerd voor de barak Jan Steen.
Het fotoboek van Simon biedt nog tal van andere beelden van onze Belgische gasten, nu bijna een eeuw geleden. Beelden van arbeid, familiezin, toneel, muziek en gymnastiek vermaak. Trotse mannen in uniform, met als minder heldhaftige reden desertie uit het Belgische leger of in andere gevallen jammerlijk afgesneden van hun legeronderdeel. Het archiefje van commissaris Simon zal in 2013 voor een ieder raadpleegbaar zijn.
vrijdag 12 oktober 2012
Clark Gable, The king of Hollywood, in the archives of Arnhem
Hij was al wereldberoemd op het moment dat hij met zijn filmploeg in het nog zichtbaar door oorlogsgeweld gehavende Arnhem neerstreek. We hebben het over de acteur Clark Gable (1901-1960), ‘the king of Hollywood’ en onsterfelijk geworden door films als Gone with the Wind en Munity on the Bounty. In 1953 maakte hij, samen met zijn al even beroemde tegenspeelster Lana Turner op verschillende plaatsen in Nederland opnamen voor een zich in de Tweede Wereldoorlog afspelende film die als werktitel ‘The True and the Brave’ kreeg, maar een jaar later in de bioscoop ‘Betrayed’ zou gaan heten. De cast en het team daaromheen zorgde in Arnhem voor een hoop opwinding, ondanks dat het eindprodukt weinig kwaliteitsvol zou worden.
Zo werden onder meer filmopnamen gemaakt nabij de Weerdjesstraat, Jansplein en huis Zijpendaal, waarbij het soms de nodige moeite kostte om de lokale bevolking een beetje op afstand te houden. De Arnhemsche Courant bracht de bewegingen van de buitenlandse gasten enthousiast onder de aandacht, en na afloop was iedereen tevreden. Dat blijkt ook uit een uniek en door Clark Gable ondertekend dankwoord aan het gemeentebestuur en de bevolking van de Gelderse hoofdstad dat in het secretariearchief van Arnhem bewaard wordt.
zaterdag 29 september 2012
Diefstal van akten voor het goede juridische doel: de kwestie Valenus Swaen
Ruim 100 jaar geleden verkreeg het voormalige Rijksarchief in Gelderland de eigendom van een merkwaardige verzameling stukken van een zekere dr. Valenus Swaen. Bekend is dat deze jurist rond 1700 advocaat te Nijmegen was, en dat hij korte tijd later als zodanig in Arnhem opdook. In de Gelderse hoofdstad werd bij op zeker moment bovendien schepen en burgemeester.
Zoals wel vaker het geval bij (aankomende) juristen vergaarde Swaen gedurende zijn opleiding en tijdens zijn beroepsleven tal van stukken die hij gebruikte om zijn kennis van de plaatselijke, regionale en provinciale wetten en gewoonten op peil te houden of te vergroten. Ook zijn vader, dr. Johan Swaen had eveneens als jurist een verzameling papieren aangelegd, o.m. als gevolg van zijn taken als rechtsgeleerd adviseur in problematische juridische kwesties.
De verzamelzucht van de familie Swaen leidde tot meters juridisch getinte stukken. Niet alleen van eigen hand, maar meer nog in de vorm van afschriften en originele bescheiden. Zo bevinden zich in deze collectie akten van volmacht, flarden van civiele processen, leenakten, schuldvorderingen, testamenten, beslagleggingen, belastingkwesties, huwelijksvoorwaarden, placaten, vonnissen en tal van andere stukken van juridische en gerechtelijke aard uit de periode ca. 1600-1750. Het probleem daarbij is, dat Swaen maar voor een deel orde heeft weten te scheppen in al zijn eigen papieren, die de gehele provincie Gelderland omvatten. Zo heeft hij negen bundels met stukken in dikke banden laten zetten, die de welluidende titels tomus primus (2 banden), secundus, tertius, quartus, quintus, sextus, septimus en octavus hebben meegekregen. Daarop is een klapper op onderwerpen bewaard gebleven die met de letters A t/m J beginnen, genaamd ‘index observationum et annotatiorum mearum’. Maar voor het overige resteren enkele meters met uitsluitend divers en niet chronologisch materiaal, waaraan archivarissen zich de afgelopen eeuw wijselijk niet hebben gewaagd om daarin orde te scheppen.
Als het nu was gegaan om uitsluitend afschriften had men dit zo kunnen laten voor het was, maar de aanwezigheid van zoveel originele stukken geeft een ander licht op deze collectie. Daarom is recentelijk gestart met het toegankelijk maken van deze collectie Swaen. De voltooiing van dit project wordt ergens in 2013 verwacht.
dinsdag 11 september 2012
Kenniscentrum aan de Rijn
Terwijl elders in de Arnhemse binnenstad strijd wordt geleverd tegen de komst van een kunstencluster in het ambitieuze glas-in-staal-plan aan de boorden van de Rijn neemt intussen het historisch kenniscentrum het Gelders Archief op bijna geruisloze wijze een voorschot op een vertrek van de Markt naar een oostelijker gelegen plek langs deze rivier. Althans, het eerste beeld ter plaatse wordt bepaald door een jachthaven waar al bij aardig weer waterscooters, grotere en kleine jachten, speedboten, waterskiërs en log ogende rondvaartboten het uitzicht bepalen. De van schoolboeken bekende Rijnaken zijn hier vrijwel afwezig, want die zijn reeds allang bij de landsgrens afgeslagen naar de Waal voor een snelle verbinding naar Rotterdam via Nijmegen.
Het nieuwe erfgoedcentrum voor Gelderland krijgt op dit moment een degelijke coating die de muren nu nog van wisselende kleuren doet voorzien. En op het dak zullen zonnepanelen elk straaltje zonlicht omzetten in de nodige energie voor mens en materie binnen de muren. Dat is dan weer een meevaller voor de van buiten weinig spectaculair ogende blokkendoos die thans in het bedrijvenlandschap langs de Westervoortsedijk verrijst. Met het grote geblindeerde achterlijf (de depots) en de kleine van ramen voorziene kop (de kantoren) zal het in de toekomst gelige gebouw een beetje doen denken aan een wesp, maar dan zonder strepen.
Binnen de muren van het nieuwe Gelders Archief zullen de ontwikkelingen zoals die al een tijd gaande zijn in het archivistisch landschap gewoon voortgaan. De archivaris oude-stijl verdwijnt de komende jaren voor het grootste deel door een massaal natuurlijk verloop. Het mag dan te hopen zijn dat het overgrote deel van de stukken van vóór pakweg 1800 door hen dan intussen in beeld is gebracht. De beroepsgenoten die hun werk voortzetten of op de resultaten van hun voorgangers leunen kunnen zich dan ook in ruimere mate focussen op allerlei vormen van digitale presentatie van bronnen en hun (nadere) toegangen. De generatie van de jongelingen op deze foto zal dan, eenmaal tot de jaren van vragen stellen gekomen, hun weg op internet en binnen het gebouw met de kraan op de achtergrond kunnen vinden.
dinsdag 28 augustus 2012
Curieuze archivalia
Soms zijn er van die momenten dat een archivaris denkt: ‘wat is dit nu weer voor zooitje’. Zo’n gedachte borrelde recentelijk weer eens op toen er behalve een envelop met losse zegeltjes drie oude houten hangvitrinekastjes op tafel werden gezet die gevuld waren met wapenzegels die aan hun perkamentstrookjes op de binnenkant van de kastjes waren vastgenageld. Op de strookjes waren de namen van de wapendragers vermeld met het jaartal van de bezegeling.
De naam van de barbaar die deze zegels met de schaar of mes van de bijbehorende charters had gescheiden blijft geheim. Wat we wel weten is dat hij kans heeft gezien om op deze brute wijze tientallen zegels uit de periode 1330-1787 te misbruiken voor zijn merkwaardige hobby.
Tussen de zegels bevond zich in een van de kastjes bovendien een los prentje van Hendrik Danielsz Hooft (1716-1794), die gedurende de periode 1769-1787 burgemeester van de stad Amsterdam was. Wellicht was hij de verzamelaar van deze zegelcollectie, die hoofdzakelijk betrekking heeft op Gelderse en Overijsselse geslachten. Blijkens enkele getypte lijsten van zegelaar bevonden de zegelkastjes zich op enig moment in Velsen, waarna ze werden overgebracht in het voormalig gemeentearchief van Arnhem.
Abonneren op:
Posts (Atom)









