woensdag 16 mei 2012

Belegering en brandschatting van Tedingsweerd

In 1795 werd het oude huis Tedingsweerd in het dorp Kapel-Avezaath in de Nederbetuwe) door een groep Hessische soldaten in dienst van het Britse Koninkrijk belaagd en in brand gestoken. De geschiedenis van deze overval is vervat in een in het Engels opgesteld verslag, dat in opdracht van de eigenaar van het huis, een Quarles de Quarles, is geschreven. Het verhaal ligt bewaard in het archief van het Huis Laar op het Gelders Archief. Dat archief is een beetje 'gemankeerd', want het bevat niet alleen stukken met betrekking tot het inmiddels verdwenen huis bij Otterlo onder Ede, maar ook stukken die verband houden met het huis Laar in de gelijknamige buurschap onder het gericht van Emlichheim in het graafschap Bentheim. De eigenaar van beide gelijknamige huizen was vervolgens ook heer van Tedingsweerd, zodat de aanwezigheid van dit verslag daarmee ook wordt verklaard. Hoe het verlies van het huis Tedingsweerd tot stand is gekomen laat zich lezen uit de navolgende transcriptie: The castle of Tedingswaard, situated at Capel-Avesaat, beyond the river The Linghe, in the district of Nijmegen in Gelderland, and belonging to the baron Quarles of Quarles, being burnt in the month of January 1795, in his absence, the said gentleman has inquired into the circumstances of that event; and it appears clearly by the reports and certificates of a sufficient number of witnesses who confirmated their testimonies on oath, that the said castle of Tedingswaard has been burnt by the malice and obstinacy of the British troops, who, notwithstanding the assurances made to the owner, had taken their quarters in that house and laid waste of it, as is evident by the following particulars: It was on Saturday the third of january 1795 that in the nighttime a corps of Hessian troops in the service of His Brittannic Majesty, consisting of about twohundred men, who was said to belong to the grenadier battalion of Bouwmeister, and among whom was a captain, called Sinck, came to the castle, roused one Henry Berendsen, who lived at some distance, required the great iron closet to be openend, and invaded the doors and the whole building. The said Henry Berendsen, together with the housekeeper John van Gogh and gardener Anthony Jansen, not being enabled to resist to this violence and desiring to appease them, in order to save the house and the furniture, immediately brought some lights, laid fire in the rooms, as possible brought the wanted provisions, meat and beer. Notwithstanding their goodwill and offices, the said militaires behaved so ill and used so roughly with them, that Henry Berendsen was necessitated to leave the house and to retire at his home. And particularly the officers, not pleased with what the housekeeper could give, desired wine and other provisions to be purchased, and constrained the said housekeeper to fetch the steward of intendant (in Dutch language: rentmeester) called Roelof van Wijck; who at first declined to leave the house, because he there was embarassed with forty Hessians, on whom he was obliged to wait, without any assistance of family or servants: but at the repeated messages, being threatned to be fetcht by military force and ill-used, he went to the castle, where he was required to procure wine and several other provisions; and where the foresaid Anthony Jansen found his bedroom and chest broke open, and his clothes and other goods taken away, as well as all what had been in the room. The said steward seing at that time an exceeding great fire burning, particularly in the room which was above the great hall or diningroom, so that a deal of it was outside the chimney and on the wooden floor; he requested with the utmost civility the officers, that they would take care of the fire and let it be diminished, in order to prevent the conflagration of the room, which could not fail to happen, if the flame should seise on the Boards. And after several discourses, he obtained by the agreement of the officers, that not only the said fire, but the other fires also which burnt elsewhere in the castle should be extinguished; that the private soldiers should depart; and that the castle should be saved by all means. But that he, on his part, within three hours should procure to their use, one anker and a half of wine of the Rhine, four sacks of potatoes, four sheep, and twenty pounds of butter. Which he procured immediately. The foresaid housekeeper John van Gogh being necessitated to go to Tiel (a town of Gelderland in the neighbourhood) in order to purchase the wine, though it was promised to him, that his room should remain shut, he found at his return the room and his chests broke open, and everything stolen away; and everywhere in the rooms such fires were burning, that being afraid they should cause the conflagration of the whole building, he insisted and urged the officers several times (as well as the gardener) that precautions should been taken and the fires put in a proper manner, but without any effect, so that the captain became extremely angry at those representations, and repulsed them with some oaths, saying in the German language ‘Schwernöht!’ The people ought to be warned.
The fires continuing in the same excessive manner, it happened, that on Sunday night several rooms about the same time were discovered to be on fire; which being by no means to be extinguished, notwithstanding the endeavours of the attendants and others, in a short time the whole castle was conflagrated and burned down, together with all the furniture, whereof nothing could be saved; whilst the soldiers opposend themselves to what was to be done in order to save anything, by keeping away and robbing everybody, who came to their assistance. The castle now being quite destroyed in such a manner, that only a part of the walls remained, which threats every moment to fall down, and the said Hessian corps being departed, there arrived an other corps of Hessians on the following Thursday being the 8th, who ordered the bridge belonging to the same castle, to be burned. Which order is said to be given by captain Oks of the Hessian huntercorps, and was executed, notwithstanding the housekeepers and other’s remonstrances, who even offered, if the bridge ought to be destroyed to demolish it by the carpenter. The said castle and bridge having been repaired a short time before, it is calculated by the carpenter and mason, that the restoration of the building alone can be done for no less then ninetyfour thousand florins Dutch money, besides what is wanted to the furniture of a castle of such importance, and which was entirely and newly furnished.

dinsdag 27 december 2011

Kasteel Den Brakel (Rijswijk)

Wie aan kastelen denkt, denkt doorgaans aan keurig gerestaureerde of met gevoel voor smaak onderhouden panden of aan woningen die de tand des tijds niet hebben doorstaan en daarom een kasteelruïne genoemd moeten worden. Minder vaak zal worden gedacht aan objecten die geheel verdwenen, of beter gezegd, aan het zicht onttrokken zijn. Er wordt weleens opgemerkt dat Gelderland, met name de Betuwe, valt aan te merken als kastelenkerkhof. Kastelen van faam, zoals het hierboven afgebeelde kasteel van Buren, zijn op grote schaal teloor gegaan door oorlogen, branden en leegstand. Wat van de gebouwen restte was vaak wat fundamentenmateriaal dat onder het maaiveld verstopt lag, terwijl andere resten soms gebruikt werden voor herbouw of nieuwbouw van andere huizen of geestelijke gebouwen. Oude tekeningen zijn in dergelijke gevallen het enige houwvast van hoe een verdwenen kasteel er ooit uit moet hebben gezien. Moeilijker wordt het met kastelen waarover de bronnen schaars zijn en een afbeelding geheel ontbreekt.
We gaan in dit voorbeeld naar het kleine Nederbetuwse dorp Rijswijk, dat tegenwoordig deel uitmaakt van de gemeente Buren. In de 16e eeuw ritselde het in deze agrarische omgeving van lieden die zich beriepen op een adellijke afkomst. En inderdaad, veelvuldig waren daar familienamen als Van Wijck, Van Leeuwen, Van Eck, Van Brakel en Van Heteren. Namen van geslachten die tot ver in de tijd terug gingen en tot riddermatige stammen behoorden, maar waarvan de meeste nazaten inmiddels allang 'achter de ploeg liepen'.
Het nietige Rijswijk kende enkele adellijke huizen. Hiernaast is kasteel Hoekenburg te zien, vernoemd naar jonker Dirck de Houck die het huis rond 1600 bewoonde. Een eeuw later droeg het de naam van de toenmalige eigenaar, een Van Golstein. Hoekenburg werd in de 19e eeuw afgebroken.
Alleen in de naam van de familie Van Brakell tot den Brakell wordt nog herinnerd aan het ooit bestaan hebbende huis Den Brakel. In de vijftiende eeuw is er al sprake van een hofstede, met toren, zaal en goed, strekkende van de Wijfdijk tot de Broeksteeg. Aanvankelijk betrof dit huis een Gaasbeeks leen dat door overdracht in handen kwam van de heren en latere graven van Culemborg. Tussen 1460 en 1490 werd dit leen gehouden door Dirck van Brakel, maar vervolgens werd het complex ter grootte van 11,5 morgen gesplitst in twee helften. De ene helft bleef zonder onderbrekingen in handen van de familie van Brakell, de andere helft kwam in 1545 via de familie Van Leeuwen en vervolgens in de persoon van Antonia van Wijhe, vrouw van Lodewijk van Brakel ook weer in handen van de laatste familie. De beleningen werden voortgezet tot 1762, wanneer de dan nog minderjarige jonker Floris Adriaan, oudste zoon van Diederik Louis van Brakell tot den Brakell, heer van Vredestein en richter en dijkgraaf van Tiel en Zandwijk het huis en goed verwerft. Niet lang hierna, althans nog voor het einde van de achttiende eeuw, moet het huis verloren zijn gegaan. Afbeeldingen van de woning zijn niet overgeleverd. In zijn uitgave van 1840 vermeldt de bekende A.J. van der Aa nog het bestaan van een ‘voormalig kasteel’, waarvan de bijbehorende gronden op dat moment nog in bezit waren van de familie Van Brakell.

maandag 12 december 2011

Adel aan de brandspuit

Het inventariseren van huis- en familiearchieven levert nogal eens opmerkelijke vondsten op. Zo is de belangrijkste familie die in het archief van de huizen Nettelhorst en De Heest optreedt het aloude Gelderse geslacht Van Heeckeren. In Oost-Gelderland bezaten zij door de eeuwen heen meerdere kastelen en havezaten. De bovengenoemde huizen kunnen dan ook eenvoudig worden aangevuld met o.a. Overlaer, Molecaten, de Wiersse, Waliën, De Cloese, Enghuizen, Suideras, Barlham en Kell. Voor de vaak omvangrijke familietakken was het aantal woonhuizen op stand echter niet toereikend. Bovendien waren de gezinnen doorgaans zo groot dat het niet kon uitblijven dat in de loop van de 19e eeuw diverse Van Heeckerens uit hun stand tuimelden. Een tijdperk begon van adellijke landbouwers, ambachtslieden, kleine ambtenaren en een breed scala aan andere bescheiden beroepen. De baronnen en baronessen doken overal op in de beroepsgroepen van de gewone man.
Daarmee wil echter niet gezegd zijn dat zij, die wel volgens de regels van hun stand konden blijven leven verschoond bleven van vuile handen. Voorbeeld daarvan is Willem Carel Maurits Reinhard baron van Heeckeren (1830-1907). Door zijn vader, een man met een reeks van eerbiedwaardige beroepen en functies, was hij heer van Marhulsen, en door zijn moeder (ook al een Van Heeckeren trouwens) was hij tevens heer van De Heest. Zelf deed de man niet zoveel en woonde hij tamelijk anoniem in de binnenstad van Zutphen.
Het bestuur van die gemeente wist hem evenwel te vinden voor het verrichten van een belangrijke burgerplicht: namelijk het assisteren bij alom zeer gevaarlijke stadsbranden. In 1859 was het zover, geen leidinggevende functie bij de bestrijdingen van branden, maar eenvoudig als emmerdrager bij de spuit nummer 3.

zondag 11 december 2011

Crazy in love

It's a long time ago I added a song on this blog. But today I introduce a silly man. Dressed in white, looking and moving like a woman, with a interesting vibrating voice. The Metropole Orchestra from The Netherlands accompanies in this song Antony and the Johnsons.

zondag 20 november 2011

Glazen doden

En dan loop je door een tamelijk onbeduidend smal straatje, passeert een van de vele zonnenbrillenkraampjes van een zenuwachtig ogende Afrikaan en vervolgens een rommelige scooterparking en dan kom je plotseling aan op een ook al onbeduidend pleintje met aan de oostzijde één van de vele Florentijnse kerken. Deze kerk, gewijd aan St. Marco, is van binnen een lust voor het oog. Totdat je ineens stuit op een altaar met glazen onderbouw, want daarin wacht je de heilige Antonino Pierozzi (1389-1459) op. Deze schriftgeleerde, aartsbisschop van Florence en beschermheilige van Moncalvo, nabij Turijn, is ooit gebalsemd waardoor hij weliswaar uitgedroogd, ingeklonken, versteend en verkleurd uit zijn oorspronkelijke grafstede in 1559 is opgegraven, en door zijn ‘incorruptible’ staat opnieuw is aangekleed en als een soort sneeuwwitje in een glazen bak is neergelegd zodat een ieder hem nog hedentendage kan aanschouwen. Laten we eerlijk zijn, de man ziet er niet uit, maar het kan nog veel erger. Op internet zijn er tal van websites die een inkijk geven in de glazen doodskisten van heiligen, martelaren en lokale lievelingen die veelal met behulp van een subtiel geplaatste verlichting aan den volke getoond worden. Soms zijn de gezichten wit als was en lijkt men de ogen amper gesloten te hebben. In andere gevallen kan men gerust spreken van genante toestanden, die ik hier niet nader hoef te omschrijven.
Duidelijk is wel, dat men niet ongestraft zomaar lichamen kan tonen die aan buitenlicht, lampen en lucht bloot staan. De wetgeving, met name in Italië, biedt voldoende ruimte tot exploitatie van geheiligden. In de Nederlanden is dat bepaald anders geregeld. Want wie kent bv. niet het grafmonument van Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk te Delft. Een verbeelding van een dood lichaam op bed in marmer, samen met zijn hond aan het voeteneind.

vrijdag 28 oktober 2011

Christiaan Carel van Lintelo

In het archief van de huizen Nettelhorst en De Heest bevindt zich een verzameling stukken welke afkomstig is van de edelman Christiaan Carel baron van Lintelo (1669-1736). Hij is de schoonvader van Adolf Jacob Hendrik van Heeckeren, o.m. heer van Nettelhorst, De Heest, Batinge en Overlaer. Omdat de man geen enkele zoon heeft nagelaten zijn zijn persoonlijke stukken voor een belangrijk deel vererfd op zijn dochter Petronella Reiniera, die in 1742 met Van Heeckeren in het huwelijk was getreden. In de literatuur wordt wel enige aandacht geschonken aan Christiaan Carel. Hij was immers kasteelheer van de Ehze (bij Almen) en Walfort (gelegen tussen Bredevoort en Aalten). Daarnaast was hij eerst scholtus van Lochem (binnen en buiten), en vervolgens van Zutphen (eveneens binnen en buiten). Ook kennen we hem als burgemeester van Groenlo (vanaf 1697), als drost van Bredevoort en als ordinaris-gedeputeerde namens Gelderland in de Staten-Generaal (vanaf 1701).
Minder duidelijk is zijn rol als gunsteling van koning-stadhouder Willem III. Deze laatste zorgde er voor dat Christiaan Carel vanaf 1702 als buitengewoon gevolmachtigde namens de Staten-Generaal namens de Republiek diplomaat werd aan het koninklijk hof van Pruisen in Berlijn. Het mag dan ook verrassend genoemd worden dat tussen de stukken die hij aan zijn bovengenoemde dochter heeft nagelaten zich ook een deel van zijn diplomatieke correspondentie bevindt. Zo treffen we dubbelen (minuten) van zijn brieven aan die in de periode 1707-1710 vanuit Berlijn naar de Staten-Generaal zijn verzonden. We krijgen daarbij een inkijkje in het leven aan het Pruisische hof: blijdschap en droefenis, ziekte en zeer, bezoeken, geruchten en roddels, het politieke en militaire spel, alles kwam in de brieven ter sprake.
Ook treffen we in dit archief van Nettelhorst en De Heest een uitgebreide correspondentie tussen Van Lintelo met Anthonie Heinsius (1641-1720), raadspensionaris van Holland en in zijn tijd een der belangrijkste bestuurders op het Europese toneel. Van deze bescheiden man is slechts een enkele eenvoudige afbeeldingen bewaard gebleven. Diens ontvangen en verzonden brieven omvatten het aantal van bijna 24.000 stuks en die zijn in de jaren ’70 van de vorige eeuw gepubliceerd in de grote RGP-serie en tegenwoordig ook op internet in zijn geheel te raadplegen. Curieus is echter, dat de brievencollectie in dit archief in dit verband nooit eerder is opgemerkt.
Dit geldt tevens voor de brieven van andere correspondenten zoals François Fagel, griffier van de Staten-Generaal, die uit de periode 1704-1713 bewaard zijn gebleven. Daarnaast correspondeerde Van Lintelo ook met de Engelse volgeling van Willem III John Churchill, de eerste hertog van Marlborough en zien we hem onder meer als betrokkene in het plan tot vernieuwing van het vriendschapsverdrag tussen Pruisen en de Republiek en in de geschillen tussen de Republiek en de koning van Denemarken, met name over het opbrengen van koopvaardijschepen in verband met het toltractaat.
Dat Christiaan Carel van Lintelo met zijn kosmopolitische achtergrond makkelijk in conflict kwam met bestuurders uit zijn lokale entourage, zoals de magistraat van de stad Lochem, is bijna onvermijdelijk. De weerslag van dit alles is terug te vinden in het archief van de huizen Nettelhorst en De Heest.

zaterdag 15 oktober 2011

Theodore Demmink

Man of the day is Theodore Demmink, born in Arnhem in Holland in 1886, and passed away in 1964. His father, who gave him the names Theodorus Gijsbertus Jacob, was called Hendrik Jacob Demmink, and he worked as a gardener for the owner of House Sonsbeek, nowadays better-known as ‘the white villa’ in Arnhem. Theodore was the 7th child of his parents, and just like many others in 1905 or 1906 he joined the adventurous journey to the new world. The ship Statendam brought him on Ellis Island, and after a short while we find him in the city of Chicago. Records of the website Fold3 (former: Footnote) finds him back, with his Swedish wife Hilda Roost.
At first in the yellow pages of Chicago, where he is listed as meat trader, in 1915 living on South Halsted. Also from that time there is a nice picture of this busy street. According to the US Federal Census of 1930 (enumerated on April 24) he and his family lived at Beverly Glen Parkway. He was the owner of a house there, worth $ 17.000.